Tags

, , , ,

Wat betreft een nieuwe methode om anderstaligen Nederlands te leren

Vraag aan een jongen of meisje dat uit een Franstalige humaniora komt om Nederlands te spreken en dat antwoord ( behoudens uitzondering) kan zijn
-je comprends pas (33%)
-ik spreek een beetje (25%)
-pardon, je parle Français (22%)

De overige twintig procent zet het op een declameren: “Mijn naam is/ik woon in…in…./ik heb twee broers….ik hou van voetballen”.

Hoe loffelijk ook de poging, vooral qua zinsbouw en bereidheid om zichzelf een politieverhoor af te nemen, is de interveniënt niet in staat om een zinnig woord over het weer te plaatsen . Geen “mooi weer vandaag….” omdat hij geleerd heeft dat de Vlaming altijd een onderwerp, werkwoord en lijdend voorwerp/gezegde gebruikt als die het woord tot u richt : thuis, op café en in het bushokje. Gesteld dat een Franstalige dringend een postkantoor moet vinden, in Antwerpen en vijf minuten voor sluitingstijd, dan gaat het nog van: “Sorry meneer mag ik u een vraag stellen. Kan u mij de weg uitleggen naar het dichtstbijzijnde postkantoor ( en nog nahijgend)…..AUB.

Je zou voor minder Vlamingenhater worden want van de Maas tot de Atlantische oceaan volstaat in dergelijk geval een welgemikt, met tremelo: “Pardon,, huh…. huh…. le bureau de poste”. Instructies worden vervolgens de Usain Bolt de circonstance in telegramstijl nageroepen.

Nee zinsbouw, vocabulaire, werkwoordvervoeging, regels, uitzonderingen, ezelsbruggetjes, temps primitifs, accord de l’adjectif en de hele reutemeteut over de en het worden over jongens en meisjes van twaalf uitgespeld, uitgekeerd, gememoriseerd van punten voorzien en dat is dat.

Kom dan in een lagere school waar ze de eerste helft van het jaar geen leraar Nederland hebben kunnen vinden. De ouders zijn zeer bezorgd en vragen hoe je de achterstand kan ophalen.

Welke achterstand, vijfentwintig weken troosteloze  vocabulaire die ze terstond na de toets weer vergeten?

Met nog zes maanden te gaan was het een zaak van URGENTIE en wel in volgende bekwaamheden.

1.Geef geïntegreerd les, in de context : elk moment (rang, rij, trap, kapstok, klas, speelplaats) levert situaties op waar je met eenvoudige woorden, zinnen en mimiek instructies kan geven. Herhaal, wacht en kijk of ze je begrijpen, doe dingen voor. Vraag ze niet om te spreken maar werk aan een attitude van nieuwsgierigheid en bereidheid om te luisteren.

2. Vertrek van hun leefwereld en probeer te boeien: gebruik beweging, ritme en variëteit. Wees niet bang om te acteren, uit te beelden en stem te zetten. Beloon inspanningen met liedjes, activiteit buiten de klas, goedgemaakte youtube tutorials en spelletjes. Je zal merken dat ze meer geboeid zijn door Kinderen voor Kinderen en Dikkertje Dap dan door het banaal achterna zingen van Sinterklaas Kapoentje. Laat heel veel horen en je zal merken wat aanslaat.

3. Vermijd in de beginfase tekst&lezen. De fonetiek van het Nederlands en de klemtoonzetting wijkt vaak grondig af van die in het Frans of andere Latijnse talen. Laat ze woorden herhalen en geef klanktraining ( en an un on in/een aan uun oon ien).
zoek op interent naar spelletjes met tweeklanken.

4. Leer ze zichzelf en voorwerpen dicht bij hen situeren in de ruimte. Vertel ze dat ze hun pennenzak uit de boekentas halen ( doe dat voor) en: “ neem een potlood uit je pennenzak, leg het potlood op de tafel. Neen een pen. Leg de pen naast het potlood.”
Voor je er erg in hebt laat je ze op de speelplaats tal van posities innemen: onder de boom, naast de vuilnisbak, boven de trap, met twee tussen de banken. En nog later laat je ze de oppervlakte van de speelplaats, een cirkel met 3,5 meter diameter en volledig basketbalveld tekenen. En daarna op die cirkel natuurlijk zakdoek leggen, niemand zeggen spelen. Gebruik wat voor handen is: boven, op en onder kan je met geen enkel zelfs driedimensionaal tekeningetje uitleggen aan een kind van tien. Laat het zien boven, op en onder de bank, de tafel.

5. Wacht en ge zult staan zien. Wanneer een kind zich kan situeren in de ruimt in een andere taal ligt de weg open. Bouw je instructies systematisch verder op. Toon instructievideo’s in goed Nederlands. Weet dat dit – op niveau van het lager onderwijs- bedoeld is om leerlingen over de streep te trekken en dat ZONDER van buiten doch wel van BINNEN te leren. Wees een Unicef-ambassadeur voor het Nederlands. Maak een website voor de leerlingen en de ouders en ban alle handboeken.

(wordt vervolgd)

Advertenties