Amorgos I – Aankomen in Katapola

Een Griekse reis
Het is halfvijf in de ochtend aan boord van bus X96 tussen de luchthaven en Pireaus. Na een half uur komt de zon aan de einder van de Atheense voorstad piepen. Ian en Alice liggen te snoezen, zij op mijn schouder en hij met zijn kop op mijn knie. Ik voel me John Cassavetes in ‘The Tempest’ op weg naar een Grieks eiland: Amorgos. Er is zo goed als niets en daarom blijf ik er ook een maand. Fragmenten uit een verliefd betoog.
Pireaus – juli 2006
Tickets voor de overtocht naar Amorgos zijn een probleem. De zee is een week of wat heel ruw geweest en nu de storm is gaan liggen wil iedereen weg. We komen uiteindelijk uit bij vier eersteklas tickets voor de langzaamste boot die onze richting uitvaart en ze kosten een rib uit ons lijf. Maar na de nachtvlucht met Virgin is een beetje comfort meegenomen zeker nu we twaalf uur varen voor de boeg hebben.

De first class lounge van de Express Athina ziet er evenwel uit als een vluchtelingen-kamp. Iedereen ligt kriskras over de fauteuils en sofa’s, vrije ruimte onder de benen wordt volgepakt en er moet iets gevonden worden om zoon en dochter te rusten te leggen. Wij zouden natuurlijk op het grote open dek ons tabernakel opgetrokken hebben: haren in de wind, kinderen van de zee. Maar dat zint ze niet dus hier en daar een ‘onteigening’ proberen. Dat lukt en we kunnen beginnen aan de odyssea. Het is zes uur varen tot de eerst volgende aanlegsteiger: Naxos.

Wat doe je zes uur lang met de zee als enige horizon: lezen en vooral kijken hoe andere passagiers hun tijd beheren, het schip in je opnemen: in dit geval een drijvend bordeel uit de jaren zeventig waarin lustig is omgesprongen met nepleer, chroom en triplex. Maar naargelang de boot zijn vracht afschudt –heerlijk schouwspel dat pont dat op de kade plet, muil van de boot open en stromen maar– wordt de boot steeds meer van ons…
Na tien uur varen zitten we op een bende Popes na nog met een veertig man op het dek, de voorsteven of in de bar. Je voelt hoe zeldzaam je bestemming wordt. Je houdt je voor dat waar je naartoe gaat wel heel bijzonder moet zijn. De eilanden Schinoussa en Koufonissi glijden in de vooravond voorbij en Amorgos komt tegen de avond in zicht.

Half acht. We pleuren ons bij de uitlaatklep in de parkeergarage en dan gaat die open. Is het dat je een half etmaal tegen de eindeloze zee hebt aangekeken? Als de klep in de haven van Katapola openvalt stap je in een andere dimensie: je stapt een gigantisch schilderij vol wriemelende mensen binnen: zij die op iemand wachten, zij die al weer weg gaan. De totaalindruk is zo plots, het frame van je waarneming verandert zo drastisch dat je even versteld staat maar dan weer niet te lang want je moet je bagage en halve gezin aan land brengen. Maar dat makro-chaotisch beeld, die eerste verwarrende seconden Amorgos staan als een soort Nachtwacht van Rembrandt in mijn geheugen geëtst. (Nu ik dit na een jaar neerpen is het een verrassend weerzien. Ik ben terug!).

Pas later laat je de totaliteit aan je toe, de schelle drukte in de haven, het flirterige van de dobberende boten, even een blik naar de overkant van de baai, een streep late zon op het water en dan speur je in het zog van de man die je naar je kamerverblijf brengt: Dimitri.

Dimitri’s P(a)lace word vijf weken onze uitvalsbasis, een kamer in een vakkundig geknutseld vakantiedorpje. Jarenlange vlijt en bijbouwen en intens gebruik leveren een net niet te net en net niet slordig verblijf op. Dat heeft een voordeel tegenover een clean hotel: er is ruimte om te experimenteren, een steen te verleggen, de gemeenschappelijke keuken een beetje naar je hand te zetten en op een avond zelfs de bakoven in te huldigen en het terras in een look alike restaurant te herscheppen. Voor ons: minstens dertig avonden om in de verte te turen, de zon te zien ondergaan, de temperatuur te nemen in de baai en de restaurants af te speuren. En dat is nog maar het avondprogramma.

Maar wat doet de reiziger die een maand op eenzelfde plek in de Cycladen wil vertoeven? Je zal onvermijdelijk de attitude van de eilander moeten aannemen of ten minste je proberen te in hem verplaatsen. De eilander van Amorgos wandelt iedere morgen door de haven, gaat naar zijn vaste stek, drinkt zijn koffie en peilt het weer. Doe dat dus ook want als ze je langer dan veertien dagen hetzelfde zien doen wordt je deel van het geheel. Wie hier van de boot stapt blijft hoogst uitzonderlijk meer dan twee en een halve dag. Amorgos is een snelle stop op de cycladenytrip. Ze willen ze allemaal gezien hebben. En ah, als je d’r één gezien hebt heb je ze allemaal gezien.

Screen ook de uren van de bus, de tarieven van de auto- en brommerverhuur, de menu’s en de prijzen van de restaurants, de voorraaden van de winkeltjes,de uren van de overzetboot, de spotters op de kade en de piekuren op de diverse strandjes. Wie lang wil blijven meet de hartslag, het ritme van de hele constellatie. Dan pas kan je een beetje routine opbouwen. Routine heeft zijn interessante kanten, routine is wat je overeind houdt. En vooral kijken, kijken en nog eens kijken om de essentie te distilleren.

Advertenties