Tags

, ,

Il n’y a plus d’après
A Saint-Germain-des-Prés
Plus d’après-demain
Plus d’après-midi
Il n’y a qu’aujourd’hui
Quand je te reverrai
A Saint-Germain-des-Prés
Ce n’sera plus toi
Ce n’sera plus moi
Il n’y a plus d’autrefois

(u zocht naar de conference van Gerard Vermeersch, pech want dan moet u hier zijn)

51WVZ8HF69L

Op de markt van Ronse werd de allerheiligenfoor afgebroken. De attracties verdwenen zienderogen uit het blikveld: de hoge raampartijen van restaurant La Difference, waar ik met mijn buddy’s Edith, Christian en Veerle een laatste slok wijn soldaat maakte. We hadden van de gelagzaal een gelachzaal gemaakt, de wijn geproefd van de buren, de verduldige ober aan het lijntje gehouden en alles en iedereen van onderschriften voorzien. De avond kon niet stuk.

Tussen konvooien kermisrestanten en onder de volle maan zetten we koers naar Avelgem, een afzakkertje zoekende. Het ging over de Kwaremont die niet open lag en de vreemde schoonheid ontvouwde van de thermische centrale van Ruien: een even feeëriek als onwezenlijk schouwspel in de nacht. Voorbij Rugge kwamen de herinneringen opzetten aan vreemde volksfiguren als Peetje van Rugge en Danny Rooties, De Pietje de Leugenaars van mijn jeugd.

Avelgem waar ik de hele dag al als in een jeugdroman rondliep en op memorabilia stootte: Sony, ooit de vlam van mijn jongste broer die me in de Brasserie bij naam begroette en apotheker Johan Vantieghem die uit zijn officina getrokken werd toen ik aanstalten maakte in zijn richting. Avelgem waar ik in het college mijn openbaar leven begonnen was en de democratisering van het onderwijs zijn hoogdagen beleefde. Avelgem bij nacht is een woestijn onder een stolp, een uitgedoofd kampvuur waarin nog een stukje vlamt,ter hoogte van het station:café De Volle Maan.Ik stak de deur open en ik dacht: eindelijk thuis. Deborah Harry (*)  woei me tegemoet en zong dat we afspraak hadden in Saint Germain des Près maar dat niets daar nog het zelfde was en dat met een jazzy air en alsof ze het kunstgebit van Mariane Faithfull geleend had.De hele dag op zoek naar de wilde schuimkraag, de onvergelijkbare bittere opdronk en het bedwelmende aroma van een Orval en achter de toog stond een zetbaas die als geen ander wist hoe je die Godendrank moest schenken: zetbaas Rudi-Dolf- Delft. Man, man het is alsof je bij God op de koffie komt: je durft nauwelijks in je kopje te roeren.

Wat ik dus wel deed, de eeuwige truck met het bierkaartje in de kelk. Nou nou: Rudi ziet u, hier vloekt men niet.Hoe is het dan nog allemaal goed gekomen: de grootste Orvalist van het land schofferen en toch niet het gat van de timmerman gewezen worden of kennis maken met de klinkers van de Stationstraat. Had ik nog een joker om in te zetten want in het café was, op een huchkuch van Deborah Harry na, ondertussen een doodse stilte ingetreden. Het leek wel of de Dalton Brothers ieder moment de straat konden binnenrijden en mijn begeleidingstrio keek even de andere kant op. Ik had een jokerkaart, zonder het te beseffen: meester Norbert. Zoals het altijd gaat, en het leven is een grote pokerpartij, moet je gokken. Niet alleen woonden ze ooit in dezelfde straat in mijn Heimatbled Heestert: ze waren buren. En er was veel meer: ik had geen full straat maar een royal flush in handen. Wie had daar destijds de wijk opgevoerd met de grond van het oude kerkhof: de firma Six ( vervoer & grondwerken). Mijn ouwe had de helft van het knekelveld in de Pontstraat gestort en de andere helft op zijn eigen terrein dat ophoging nodig had. Rudi en ik waren daardoor allebei al heel jong ingewijd in de knekelkunde, we waren ook allebei warlords in onze respectieve kouters en niet te bedeesd om gedroogd fluitenkruid te roken en door de boeren achterna gezeten te worden als we vuurtje stookten in een hooimijt. Old soldiers never die. Jaren lang waren we trappers geweest in de farwest van onze jeugd: ik op de Keibergkouter en hij op die achter de ‘Nieuwhuizen’.

Mekaar nooit ontmoet en nu stonden wij hier met de Holy Grail van de trappisten: den Orval onnodig te zeggen dat we het roerend eens waren: in  en onder de volle maan werd de strijdbijl begraven. Er stond nog vijf man en een paardenkop in het café en twee daarvan hadden de zelfde familienaam. God had er zijn schik in: hij had de enige andere Six van Avelgem die avond ook wandelen gestuurd: Robin Six. Die stond dus al anderhalf uur naast voor wij er bij uitkwamen dat we een homonieme familienaam hadden. Dat vroeg dus om een toast. Doe mij maar een Orval Rudi maar zonder bierviltje…

* Deborah Harry op de cd Saint Germain-des-Près Revisité

Advertenties