Tags

, ,

DownloadedFile-2
Onder alle laagjes cultuur die opvoeding en omgeving over mij gespreid hebben zit een country side boy. Uit een werkmansbroek geschud ben ik de wijde wereld ingetrokken, heel on-Westvlaams of juist precies wel. Wat volgt zijn pompeuze herinneringen aan de fantast in mij en hoe Old Shatterhand en Winnetoe mij ontzet hebben uit een microkosmos die -hoe gelukkig ook; te klein was voor mij. Het zat er toen al in en het is er nooit uitgegaan: te paard op de verbeelding.

1
Mijn vroegste herinnering is een hanenbalk, ik lig in een wieg op een zolder. Het is een gondelwieg met bruine houten spijlen. De zolder is verder volkomen leeg en ik, een paar maanden oud, fixeer de balk in het gebinte. Het is de zolder van Odilon, de kleermaker van het dorp die mijn ouders voorlopig onderdak biedt. Odilon is vaste klant bij grootmoeder in café “De Goudveugel”. Het jonge koppel is van plan om een eigen huis te bouwen maar trekt voorlopig bij Odilon in. Later, als ik wat groter ben zal Odilon voor mij een warme winterjas confectioneren. De stof staat stijf en weegt een ton. Later krijg ik om de winter een lodenjas maar ergens in de jaren zestig paradeer ik door de straat in wat je het beste een versterkte vesting van een jas kan noemen. Als ik hem uit doe kan je hem zo op de grond zetten, hij blijft staan in de vorm waarin ik hem draag. Ja als je het kastje van de herinnering opentrekt dan vallen alle herinneringen er in een keer uit. Kastje dicht? Zag ik als baby van een paar maand al een hanebalk in het gebinte? Heb ik winters lang in een stoffen tank gekleed gelopen?

2
Wat ik zeker weet is dat ik de trots was van mijn ouders. Negen maanden na het huwelijk, just in time delivery. Na mij hebben ze zeven jaar lang geen nieuw model meer uitgebracht. Maar ik neem aan dat de productie gewoon door is gegaan. Mijn vader was een atletisch gebouwd man, mijn moeder een frisse boerendochter. Hij was een ernstig kijkende jongen, zij had een wulpse lach. Dat moet vonken gegeven hebben. Zij verlost van het ouderlijk toezicht en de kletsen op haar kont van de tooghangers. Hij had bij hun eerste ontmoeting haar heupen ingeschat, haar levenslust gezien en haar mogelijke humeurigheden en tekorten er bij genomen. Zij was smoor, ze heeft alles gedaan om hem binnen te halen. Hoe dikwijls heeft ze op de uitkijk gestaan tot hij weer aan kwam met zijn legercamion, hoe hij eerst bij de slager aan de overkant zijn obligate biefstuk ging inslaan en dan het café binnenkwam. Hij die de straat oversteekt en zij die natuurlijk niet de straat kon oprennen maar verlegen doende kwam vragen wat hij beliefde, of liever nog van achter de deur van de gang keek hoe hij gulzig at, een gulzigheid die boekdelen sprak. Hij was boomsterk, stevige dijen, een forse neus en wappers van handen, een kerel die van aanpakken wist. Wat waren de zeden en de gewoontes in die vroege jaren vijftig? Een ding weet ik zeker er waren geen condooms en geen voorbehoedsmiddelen. Het was voor het zingen de kerk uit. Halleluja. Of zes jaar onthouding.

3
Ik nam bezit van hun hebben en houden, schilderde de kasten van de keuken eerst met mijn uitwerpselen en later met echtig techtige verf. Ik kroop waar ik niet gaan kon. Ik was namelijk een ontdekkingsreiziger en zou me later door de lectuur van Old Shatterhand & Winnetoe en Kees de Scheepsjongen toegang verschaffen tot een wondere fantasiewereld. Ik dacht al gauw, van zodra ik daar aan toe was, dat ik een koningskind was. Prinselijk gebroed uitbesteed aan gewone dorpers, kwestie van mij terdege op de troonsopvolging toe te spitsen. Ik vertoefde in een gastgezin en verkeerde in de overtuiging dat de koninlijke koets op een dag zou voorrijden om mij paleiswaards te voeren. Dat verblijf veronderstelde een zekere nederigheid van mijnentwege maar dan ook niet te veel want ze moesten ook niet denken dat ik alles zou slikken… Dat ik mijn dorpse status naar best vermogen waarnam deed niets af aan mijn aristocratie. Ik was voor beters in de wieg gelegd dan het verzamelen van Christoffelbestek of het sparen voor een Mercedes…

[wordt vervolgd]

4
Was ik een prins? Allicht niet. Gedroeg ik mij dusdanig? Enigszins. Ik vond namelijk niet zo makkelijk aansluiting. Op de speelplaats van de bewaarschool kan ik zo de tegel aanduiden waar ik bleef staan, wachtend op het moment dat ik gehaald werd. En dat terwijl het ander gebroed over de speelplaats uitwaaierde en in de zandbak stroelde. Ik was een moederskind. Ik was deel van een matriarchale entiteit: moeder, grootmoeder, overgrootmoeder en tantes. Tantes bij de vleet. De tantes waren de feeën die zich over mijn wieg gebogen hadden en mij mijn halve leven zouden blijven volgen. De groottantes waren zo mogelijk de grootste schrik van mijn moeder. Tantes stonden voor normen, waarden en oordelen die zo mogelijks terstond en ad hoc geveld werden. Zelfs kinderloos konden ze pasklare remedies aanreiken voor mijn opvoeding. Maar er was één tante uit de duizend. Tante Esther, ze had een engelengezicht, krullend haar en zachte handen en ze was misschien wel mijn voedstermoeder, my own foster parent. Esther was de lievelingsdochter, wat impliciet inhield dat mijn moe: stouter gebekt, koppiger en weerbarstig was. Esther zat voor mij altijd naast mij in het klaterende licht van de namiddag en als door een halo omgeven. Ze was getrouwd met nonkel Walter. Lang zou het niet duren want tante Esther kreeg kanker, stierf jong en werd voor eeuwig in onze herinnering bijgezet. Voorbij waren de vier uutjes met de radijsjes op zout. Soms vraag ik me af of Esther wel iets anders deed dan lief en zacht zijn, of ze wel echt had bestaan. Maar ze liet een dochter na die samen met mij in de concurrentie zou gaan om het allerliefste kleinkind gevonden te worden. Ik won maar ik woonde dan ook naast pépé en mémé. Ik hoefde maar over het muurtje te springen. Ik had de hele kluit vertederd. Toen grootmoeder nog café hield dronk ik niet eens stiekem kliekjes uit de achtergebleven glazen. Ik weet nu dat ik toen al een onverbeterlijke charmeur was.

Heb ik een gelukkige jeugd gehad. Ik weet het niet maar zeker tot mijn zevende was ik de kakkernest. Maar niets op mijn huid doet me denken dat ik behalve door de tantes extra gepamperd werd. Ik denk dat de tijd niet riijp was voor het kussen en pamperen van kleine kinderen. Ik moet terug naar de dinsdagnamiddagen, een keer in de maand toen alle nichtjes van grootmoe op taartvisite kwamen. Er stond steevast een saint-honoré op tafel van bakkerij Balcaen. Ik stuik binnen, terug van school en twaalf dames met getaartrande decolleté roepen verrukt dat ik gegroeid ben, handen gaan door mijn haar, hier en daar wordt ik gevoederd als een aapje uit de zoo. Maar dan nippen ze verder van hun cointreau’s en elixirs d’anvers en gaat het nieuws uit de dorpen verder over de tong. Ik herinner ik er mij één:Paula, omdat er een immens triesst leed in haar gezicht gebakken zat. Paula met de ogen die zo kunnen huilen, met een man die de hele dag op de baan is of pikkedorst en haar misschien af en toe aftroeft. Met potige zonen met snottebellen. Eentje zit er in mijn klas, Lieven. Het leven is in die dagen geen lachterje, geen VTM-soaps, geen bekende Vlamingen. Hoogstens het nieuws, Een Dozijn Rode Rozen en Schipper naast Mathilde, het wekelijkse rendez-vous met Nand Buyl, Jet Cabanier en Chris Lomme. Jet is niet meer maar Chris en Nand werden 40 jaar later vrienden.

Ik was een prins met dromen in zijn hoofd, ik wou wereldberoemd worden, zeg maar graag gezien worden. Talrijk zijn de dagdromen waar ik langs een haag van applaudiserende mensen stap. Kwam de limousine van het konginshuis niet langs dan zou ik wel op mijn manier de wereld veroveren.

5
Het was zo dat de einders van het vlakke landschap mijner jeugd zo bedrukkend waren. Ik was een kind dat zijn aardrijkskunde kende maar geen vermoeden van bewoning had buiten de grenzen van zijn dorp. Daar op die plaats was je onmiddellijk somewhere over the rainbow. In landen en streken die ik kende uit boeken en die hoofdzakelijk uit bossen en rivieren bestonden, bewoond door trappers en indianen waarvan respectievelijk Old Shatterhand en Winnetoe de baas waren. Er waren vele jongens die alleen zwierven en hoogstens aan Hector Mallot schatplichtig waren.

(wordt vervolgd)

Advertenties