Het zit zo, vanaf mijn zevende kreeg ik een vermoeden een telg te zijn uit het geslacht der Windsors. Ik werd geboren in 1955, dat staat vast maar waar en voor wiens rekening? U mag er de hele stamboom van de Von Saxen-Coburgs&Windsors op navlooien nergens zit er zo’n geboortegat als in the queen haar pedigree: tien jaar tussen princes Ann en prince Andrew. Half way, in 1955 dus: geen kanonschoten, geen volksvreugde en meteen verbannen naar – of all places, Flanders Fields.
images-1
Als plaats van bestemmig werd het Westvlaamse dorp Heestert gekozen, dat had prinsgemaal Philip met de darts op een ouwe oorlogskaart uitgevogeld. De toenmalige MI5 had jonge getrouwde stellen gescreend in heel het dorp en mijn voedstervader bleek een jongen met een Engels klinkende naam uit de westhoek te zijn. Natte vingerwerk maar ik werd gedropt op de Plaats, nummer dertig alwaar het koppel na maanden gehannes nog geen schot voor de roos geplaatst had.

Pas op ik zal wel niet de enige geweest zijn die gedacht heeft dat hij een koningskind was. Je hebt zo van die dromers die altijd meer vermoeden dan er is en meer Karl May lezen dan gezond voor ze is. De meesten houden dat stil, komen daar nooit mee buiten maar ik dus niet.

15 september 1960

Ik was vijf en Bouwdewijn en Fabiola traden in de echt. Die dag heb ik een hele voormiddag voor het ‘ouderlijk’ huis een enorme wastobbe met een knaap van een voorhamer bewerkt. Een kanon had ik niet maar de eresaluten klonken door de straat. Ik kreeg ’s avonds een pak rammel van mijn ouwe die blijkbaar erg gesteld was op zijn voorhamer. Maar het idee dat mijn moeder mij had laten betijen sterkte mij in de idee dat ik gewoon mijn plicht gedaan had.

Met mijn beperkte kennis van de Europese koningshuizen legde ik een verband met het Britse vorstenhuis waarvan ik mij een telg achtte. Wat dacht u: dat ik een voorechtelijke spruit van Bouwdewijn en Fabiola was? Ik heb de koning bij zijn zestigste verjaardag in Knack Magazine een open brief geschreven over mijn koningskindsyndroom. Maar nooit reactie gekregen. Noch bevestigd noch ontkend.
Nee… niet van Bouwdewijn maar wel van het Engelse vorstenhuis: dat had een geste willen doen tegenover de veteranen van de Eerste Wereldoorlog door mij daar te laten opgroeien waar de popies growden.

Enfin, ik vertoefde in een gastgezin en verkeerde in de overtuiging dat de koninklijke koets op een dag zou voorrijden om mij paleiswaards te voeren. Dat verblijf veronderstelde een zekere nederigheid van mijnentwege maar dan ook niet te veel want ze moesten ook niet denken dat ik alles zou slikken…

Ik vond toen al dat ik voor iets beters in de wieg gelegd was. Als je in de jaren vijftig, in West-Vlaanderen uit een werkmansbroek geschud werd, kon je er alleen van dromen later Christoffelbestekken te verzamelen, Gianni Versace te aanbidden of in een Mercedes rond te rijden.

The Victoria Club

Er moest een beetje structuur komen in mijn ballingschap en ik ging op zoek naar medestanders. Het werd een club. De Victoriaclub was heel exclusief. Er was een voorzitter en een onder-voorzitter. Ikzelf en mijn jeugdvriend Roderik namen deze taken in respectievelijke orde ter harte. Mijn buddy is ondertussen een man met aanzien en een voortreffelijk manager van een technische hogeschool in Kortrijk: a penny for his thouhgts. Die jongen is werkelijk helemaal opgegaan in mijn fantasie. Het is ook zeer aannemelijk dat hij nooit geweten heeft dat hij ondervoorzitter was. Ik was eigenlijk nogal een alleenheerser. Roderik had het technische vernuft dat mij zeer ontbeerde. In de tuin van zijn tante werd er druk culinair geëxperimenteerd: netelsoep en waterpudding. En het lege kippenhok veranderden we op een dag in een gigantische camera obscura. We hebben daar ei zo na niet een patent opgenomen. Liep er iemand op het tuinpad dan werd zijn gestalte omgekeerd op een scherm geprojecteerd.

Nu dat is nog enigszins normaal vermaak maar in het kielzog van een koningskind meestappen is nog een ander paar mouwen. Nu was hij er alleen maar in de weekends en tijdens de vakantiedagen. Ik denk dat hij tamelijk ongehavend uit het project gekomen is. Hij heeft alvast niet moeten meemaken hoe ik op de trouwdag van Bo en Fa van jetje gaf. Waar hij niet aan ontsnapte was de officiële rouwperiode bij de dood van koninging-moeder Elisabeth van België, in 1965. De clubvlag, een stuk matrasdoek hing halfstok en alle leden droegen de zwarte rouwband.

Op mijn twaalfde begon er toch iets te knagen. Hoe is die waanidee, dat ik een telg van het Britse vorstenhuis in Heestert uitgezet werd, ooit geëindigd. Wel het soort tuchtigingen dat ik van mijn voedstervader kreeg waren niet van die aard dat die in Buckingham Palace op veel goedkeuring zouden hebben kunnen rekenen. Het werd tijd om een ander verhaal te verzinnen.

Advertenties