Tags

, , , , ,

Eind de jaren zeventig had Knack een officieuze onderzoekscel bemand door een rist onthullings- en onderzoeksjournalisten. Het was een bende freelancers die door Verleyen gedoogd maar zeker niet gekoesterd werd. Georges Timmerman, Hilde Geens en Hugo Gijsels waren een vijfde colonne die dan zijn spoor trok door het blad. De tijden waren er naar: de Cepic,Bonvoisin, Bende van Nijvel, de opkomst van het Blok en Paul VDB. Daar kon een onthullingsjournalist nog eens zijn tanden in zetten en desnoods stukbijten. Veel van wat ze schreven ging zelfs mijn petje te boven maar het waren fidele verstekelingen in de cargoruimte van de Knackpotemkin. Natuurlijk was er de geatitreerde Frank De Moor maar Frank was dermate gebeten om iedereen te laten weten wat er in het Koninkrijk Knokke allemaal malverseerde dat het op den duur niet meer te lezen was. Frank- en God hebbe zijn journalistieke ziel, had ook de manie om in zijn alreeds dense en overladen epistels te verwijzen naar voorgaande bijdrages in Knack nummer zoveel, pagina zus tot zo. Die ging er dus vanuit dat de lezer hem followde.  

Kort samengevat had je de onthullers en investigatives, op zich al zeer verscheiden maar de peetvader van de van de rest duidelijk te onderscheiden  onderzoeksjournalistiek was Walter De Bock. Walter was een stille kracht, la force tranquille die over iedereen, wiens kop iets te parmantig boven het raaigras, uitstak een knipselbox en een dossier had.  De Walterpedia kreeg na de terugkeer op de Tervurenlaan in de jaren tachtig een apart archief in de kelder van het grote herenhuis. Wie deze ruimte betrad kwam in het decor van De Collega’s terecht: dossierkasten vol krantenknipsels en archiefdozen. Achter een bureautje zat een keurig geklede jongen met baard en lang haar pijp te roken en dossiers te sorteren. Maar tussen de archiefkasten slofte een breed bebrilde  kerel in een wat slobberige pantalon en een openstaand hemd met opgerolde mouwen die duidelijk ergens anders was met zijn gedachten. Dat men zich niet vergiste de man achter het bureau was Watson en de sloffende bril was de Scherlock Holmes van de Vlaamse journalistiek, Walter de Bock in persoon. Bij leven een legende en totaal niet bezorgd hoe hij er uit zag of wat men van hem dacht. Walter was een vorser wiens levenswerk, dozen en dozen vol dossiers, cum laude en posthuum door vorsers van de KUL uitgeplozen  zou worden.

Opgerold als ze waren moest je hem niks op de mouwen spelden, hij  was beter gedocumenteerd dan de staatsveiligheid. Zijn kracht was de volledigheid:van alles en iedereen een dossier en dat before computer.
Iedereen voelde zich meteen verdacht als hij in zijn buurt kwam. Hij hoefde maar zijn priemende  blik door een sneer en een hoonlach te laten volgen en we waren klaar om bekentenissen af te leggen. Om vervolgens met ons het hele establishment uit te kleden.  Walter was ondanks zijn sjofele levensstijl een absolute genieter en gaf wel eens  een feest waarop de collega’s , maten en magen de nacht doordeden.

Met Walter als maat konden we ons  evengoed boven alle gekonkel verheven voelen.  Hij kon ontzettend geestig zijn, raak, vernietigend,  dodelijk sarcastisch. Oh mijn God . Scabreus, ontwapend en recht door zee. Een gigant op sloffen,  die niks gaf  om uiterlijk vertoon  en ik verdenk  hem er  van nooit geweten te hebben wat er op zijn bankrekening heeft gestaan.

Ik heb twee herinneringen. De laatste toen ik in de jaren negentig onder zijn leiding bij De Morgen, je cite: de bellen in het bad kwam blazen. En die andere keer in 1976 in Leuven toen ik Anthierens in de Grote Aula interviewde.  Hij die op de barricades had gestaan kwam onder studenten die aan des meesters lippen hingen  en hoogstens iets mompelden  over ‘ gelukkig gescheiden’. De restauratie was een feit.

Als er een hiernamaals is dan kan je d’r van op aan dat Walter de Bock, Hugo Gijsels en Frank Demoor geregeld naar de Lounge Bar van de Hel afzakken. Daar zitten ze samen met Paul Van den Boeynants te whisten in dampen van Romeo y Julieta en Chivas Regal. Ouwejongenskoekebrood, dat er vroeger ook wel eens gefraudeerd en gemarchandeerd werd maar dan ten minste met stijl. Op de achtergrond  vraagt Vader Denolf om de rekening van het gelag naar Roularta te sturen maar wel met de vermelding “Pains surprises” om de slapende kat van zijn weduwe niet wakker te maken. Secretaresse Denise breit van haar wollen jumper mutsen voor de hele hiernamaals-redactie en Johan Struye meent in de tuin een Japanse kerselaar te ontwaren die notities aan het maken is en besluit met èèn oog op de kaarterstafel dat het deze keer niet Frank Demoor maar Rik Van Cauwelaert betreft (“Waar gaan we naartoe als de fotografen nu ook al het Woord Vooraf mogen schrijven”).

Advertenties