Tags

, , , , , ,

Ergens midden de jaren tachtig werden er in de haven van Antwerpen een paar oude loodsen afgebroken. De werken werden tijdelijk stil gelegd toen plots uit een van de gebouwen een mannetje gerend kwam. Het betrof een klerk van het ministerie van landbouw die in zijn eentje de dienst quarantaine bemande. Met nog een paar jaar voor het pensioen moest hij elke dag op zijn kantoortje zitting houden op een dienst die ondertussen al een paar jaar afgeschaft was door het vrije verkeer van goederen en diensten. In het krantenartikel werd gewag gemaakte van een identieke situatie in het zuiden des land. daar moest zich de laatste bemande quarantainepost van het koninkrijk bevinden met minstens één mannetje ter plekke.

 

Dat soort berichten was om van te smullen en vroeg om een reportage, vond ik. Dat resulteerde in een aantal reportages en later in de rubriek “De Binnenlanden”. Wie er in die dagen La Libre, La Dernière Heure of Le Soir op na sloeg kreeg de indruk dat Wallonië de laatste far west was. Geen enkele redacteur heeft zoveel human interest gemaakt over Wallonië als ondergetekende. Je kon bij wijze van spreken vogelpik spelen op de kaart van Wallonië: er dart-elde altijd wel ergens een verhaal dat om opheldering vroeg. Vooral water was in de noodlijdende Walenpays een borrelend item. Ik interviewde een man die dacht een waterbron in zijn tuin te hebben om er uiteindelijk bij uit te komen dat hij rechtstreeks op een ader Spa Reine aangesloten was. En in pure Basta-stijl ging ik op zoek naar de bronnen van het water dat iter redactie uit de kraan kwam om uit te komen bij een, aquaduct dat niet misstaan zou hebben als de zo verlangde corridor tussen Waals-Brabant en het Brussels Gewest: kilometers ondergrondse gangen waar het water der Ardennen over een kiezelstenen vloer naar zee stroelde.

De reportages verliepen volgens een vast stramien. Rond tien uur werd ik op de redactie opgehaald door de fotograaf van PhotoNews, Isopress of Guyaux. Meestel bereikten wij onze bestemming rond het middaguur en na een korte inschatting van de situatie zetten wij koers naar een restaurant. Mijn fotografen wisten dat de maaltijd integraal deel uitmaakte van de reportage. Daarin verschilde ik niet van de acteurs van het Reizend Volkstheater die met de slogan ‘geen kaas, geen theater’  de grondslagen legden van wat later het theaterdecreet zou worden. Het restaurant werd in de kortste keren herschapen tot een war room. Aan belendende tafels werd gepolst naar de aanwezigheid van een dorpspastoor, altijd een prima informant. In het beste geval hadden we dan al een paar straatinterviews gedaan op de lokale markt. Dat laatste lukte meestal aardig omdat Yves, Gino of Jean met hun fototassen en teleobjectieven de indruk wekten van een televisiecrew: c’est pour la télé? In de kortste keren deed de buzz de ronde in het dorp en bestormden  informanten het restaurant onder het mom van een take-away.

Tegen de tijd dat de patroon ons ook nog op een afzakkertje trakteerde was het zaak om nog enkele foto’s te maken voor de avondschemering  inviel. Waren er nog interviews voorzien dan werden de interviewees gesommeerd kort en bondig te zijn want het kon wel eens tegenvallen met de files richting Brussel.  Hoe minder ik wist hoe beter ik schreef. Niet gehinderd door enige kennis van zaken (dixit Struye) zou het nog avondwerk worden om passende passages uit de Winkler Prins in de reportage te sluizen.

In het geval van de quarantainepost konden we van geluk spreken. De stallen en de kantoren in Verviers verkeerden in prima staat en dat in schril contrast tot de met onkruid overwoekerde spoorwegwissels die lieten verstaan dat er hier in jaren geen activiteit meer was geweest. Weliswaar met uitzondering van een lading als Poolse varkens  vermomde klandestienen die asiel gevraagd en gekregen hadden.  Op het terrein reed een bejaard mannetje dienstrondjes met een overjaarse tractor en die was maar wat verguld om zijn ijdele bestaan toe te lichten.

Ik schets het iets vrolijker dan het er te doen gebruikelijk aan toe ging want ik heb ook in Seraign piket gestaan met de staalarbeiders, de luchtmachtbasis van Florennes op kernkoppen geïnspecteerd en de Waalse plannen om water aan de Arabische Emiraten te verkopen tegen de lamp gehouden.

Een reportage ging compleet de mist in. In 1991 overleed Jean Mantele oprichter van Moulinex, het bericht vermelde hem als uitvinder van de raspzeef ofte passe-vite. In de Waalse kranten werd de uitvinding geheel terecht toegewezen aan een ingenieur in Morlanwez. Die patenteert zijn uitvinding in 1928 op een moment dat Mantele nog verwekt moet worden. Wij dus naar Morlanwez met als enige informatie dat daar dringend een monument moet opgericht worden voor een man waar we noch de naam noch de toenaam van kennen. Dat het internet nog uitgevonden moest worden is geen excuus. Een eenvoudig telefoontje naar het patentbureau had alle informatie kunnen leveren.  Het lijkt me dan ook niet meer dan normaal dat ik de Knack-lezers en abonnementhouders jaargang 1991 alsnog de ware toedracht van de Waalse raspzeef geef.

Op 31 maart 1928, werd aan de heer Victor Simon, 125, rue du Polychène te Morlanwelz (België) een patent  verleend voor een snelle zeef om groenten te pureren, onder het nummer 348610. De uitvinder stelde dat het apparaat  in een minuut,  de hoeveelheid groenten noodzakelijk voor een maaltijd van acht mensen kookklaar kon maken en dat met nalating van huid en schillen in de zeef door de  neerwaartse werking van de drukveer. “Het apparaat is ook zeer solide, en leent zich voor de behandeling van een puree, compote, de voorbereiding van gebak en ga zo maar door, “lezen we in de inleiding van het octrooi.

De industriële exploitatie van deze uitvinding gebeurt vanaf 1929  door de NV  “Simon & Denis”, in Carnières. De heren patenteren nog andere zeven ( de Fast Pass)  en allerlei groenteraspen maar vijftig jaar, op 6 maart 1978, vijftig jaar gaat Simon &Denis roemloos ten onder in een faillissement. 

 

Advertenties