Tags

, , ,

 

 

Midden de jaren tachtig bestond er nog geen virale marketing en zeker niet voor wat je in een tijdschrift schreef. Gesteld dat je een boodschap had, hoe bereikte die de bestemmeling? Knack werd door een paar honderdduizend mensen gekocht en gelezen. Je kon er van uitgaan of vrezen dat er altijd wel één die hard was die het artikel zou fotokopiëren of faxen. Toen de weduwe van René Magritte stierf en de volgrechten op het werk van de meester naar een obscure winkeluitbater in de Tongerenstraat in Brussel gingen was dat nauwelijks nieuws. Volgrecht impliceert dat je casht van als er ook maar één afbeelding van een schilderij gepubliceerd wordt in een tijdschrift, catalogus of op een affiche. Dat zo’n lucratief recht naar een jong gastje uit Georgettes entourage ging kon hoogstens in Paris Match terechtkomen want zelfs het Laatste Nieuws publiceerde niks over Charly Herscovici. 

( Courtesy/Copyright Jon Naar, Alex Naar 1973, 2012 )

Vraag me niet hoe je in die dagen zonder Internet  het doopceel kon lichten van een boetiekhouder, ware het niet dat hij twee straten verder woonde dan de redactie. Er bestond ook telefoon in die dagen en via via kwam ik uit bij de naam van Magrittes advocaat Harry Torczyner. Ik was al veel te verguld dat ik een Vlaming gevonden had in het verre New York om hem ook nog eens te bellen. Ik was geen onderzoeksjournalist en dus schreef ik bewust en vooral onbewust een stuk vol vragen over de entourage van de weduwe, schenkingen en een vermoeden van enige slordigheid in hoofde van de erflaatster. Een museum voor de meester zou nog lang op zich laten wachten en hoe moest dat met de successierechten en hoeveel Magrittes zouden er naar het buitenland verdwijnen. Als je maar genoeg vragen hebt zijn de antwoorden overbodig. Om maar te zeggen hoe zorgvuldig ik toen al in mijn werk was om mijn onwetendheid met de mantel der bevraging te bedekken.

Torczyner portretteerde ik op de manier waarop Han van Meegren Vermeers vervalste: met het canvas van bestaande doeken onder toevoeging van enig craquelé. Waren de modellen van Vermeer al eeuwen monddood dan was Harry Torczyner alive and kicking en had die ondertussen het hele artikel ter hoogte van Central Park NY van de fax kunnen pulken. Het leverde mij een brandbrief op en een uitnodiging in de big apple. Nog een reden om je stukken niet al te veel te fatsoeneren: een recht op antwoord met een vliegtuigticket.

 

Hij tackelde mij een uur lang over zijn leeftijd, die ik in een stuk vermeld had en de ‘tweedehandse’ beschrijving die ik van hem gemaakt had. Vervolgens kreeg ik een rondleiding in zijn kantoor. Daar in zijn advocatenpraktijk werd  de inkomhall  versperd door een gigantische plaasteren man op een ziekenhuisbed van Georges Segal, in zijn eigen kantoor troonde een gigantische Francis Bacon in een hoek, en nog veel meer, waaronder zijn portret geschilderd door Magritte. Vervolgens troonde hij mij mee naar de Russian Tearoom om zijn hele leven te vertellen. Hij had dat alles eerder geprobeerd in een voorbereidend gesprek voor Zomergasten maar omdat Harry iedere vraag met een wedervraag beantwoordde kwam het nooit tot een uitzending. De researchers van Van Dis kregen nadien nog een proces aan hun broek juist omdat de uitzending niet uitgezonden werd.

 

Torczyner, een geboren Antwerpenaar, was een internationale jurist, een grote kunstliefhebber en een levenskunstaar. De precieze leeftijd van Harry is altijd zijn best bewaarde geheim geweest. Daarnaar informeren werd niet gedaan, en ook postuum durf ik daar geen suggesties over doen. Een jaar na zijn verscheiden ontving ik een zending van een Newyorks advocatenkantoor bevattende de dubbels van al de correspondentie die wij en hij gevoerd had(den). Dat was Harry die outre tombe nog orde op zaken stelde. Met zo’n man ga je niet in de contramine.

In dat kranige gestuikte lijf en onder het sneeuwwitte lange haar, dat hem de allure van een kapelmeester gaf, schuilde immers een kinderhart. In een van zijn jaszakken stak ook constant een fluitje. Dat was handig om in New York een taxi op te vorderen, maar het was gewoon .

Maar in al die jaren bleef hij een aangename en trouwe correspondent en vele anderen hebben met mij het genoegen gesmaakt van een onvoorwaardelijke camaraderie en gastvrijheid, ingegeven door een heel klein tikkeltje ijdelheid of trots, maar vooral door dat kinderhart dat graag de draak stak met alles wat zich groot waande. Had hij zich opgewerkt tot een respectabele en gegoede burger, ja, maar zijn grootste rijkdom was – vertrouwde hij mij toe – dat hij te allen tijde ‘merde’ kon zeggen.

 

Torczyner wou absoluut geen verzamelaar of collectioneur genoemd worden, want dat klonk al te veel naar beleggen. Met uitzondering van een Delvaux-doek dat hij voor iets anders geruild heeft, is nooit een werk van hem verkocht. Hij was overigens een mecenas die fondsen en werken schonk en er op stond werken uit te lenen zonder naamsvermelding. Thuis, met zicht op Central Park, had hij de grootste privé-verzameling Magrittes ter wereld. Overigens werken die hij verworven had in tempore non suspecto, lang voor Magritte een begrip was. Ik heb daar vaak mogen logeren. Harry is in 1998 overleden en daarna is New York nooit meer New York geweest.

Advertenties