Tags

, , , , , , ,

 

Voor een Knack-redacteur gingen alle deuren open. Een perskaart kwam er nooit aan te pas maar om nu te zeggen dat ik daar ooit misbruik van gemaakt heb,nee. Wie dat wel deed was Dirk Draulans. Nog maar pas aangeworven trok die naar Ton Ton Tapis om daar wat vaste vloerbedekking uit te kiezen. Hij vroeg vervolgens om de stukken op maat van de vloer te knippen en toen dat blijkbaar niet kon, loste hij het onsterfelijke zinnetje: Weet je wel wie ik ben en waar ik werk. 

 

Het statuut van Knackjournalist opende voor mij de deuren van plaatsen waar ik nooit vermoed had te (kunnen) komen. In 1980 ontmoette ik in Parijs een man die op de drempel van een  roemruchtige carrière stond. Gerard Mortier was daar adjunct-directeur in het Palais Garnier en via radiojournalist Pol Arias werd ik geïntroduceerd. Arias, een uitstekend theater-recensent maar evengoed een sympathieke intrigant  je van jewelste hoopte dat de ontmoeting vonken zou geven, wat ik niet geheel kan ontkennen. Maar om nu te zeggen dat daar een roze romance is uit ontstaan, nee. Ik was onder de indruk van het personage Mortier en heel gecharmeerd van de aandacht die ik plots kreeg. Ik heb hem vaak in Parijs ontmoet. Ik werd uitgenodigd op concerten en diners met de Parijse beau monde en kreeg een introductie in de wereld van opera zoals nooit iemand die gekregen heeft. Voor ik het wist stonden we in Londen in de kleedkamer van Kiri Te Kanawa, in Covent Garden alwaar zij zou schitteren in La Traviata. Ik heb maar één avance moeten afslaan en dat was het voorstel om administrateur te worden van het Ballet van de Twintigste Eeuw. Nee, Gerard, ik ben journalist. Van dat prerogatief kon hij dan weer voordeel halen want in Knack kwam een saga van stukken over Mortier en de opera. Daarvoor werd ik regelmatig gesignaleerd op de vijfde verdieping van de achterbouw van de  Muntschouwburg waar ik ongeveer alle kandidaten die wel administrateur van het ballet hadden willen worden in diverse functies terugvond. In de loop der jaren besefte ik aan wat voor jalousies galopantes ik ontsnapt was. Vraag het aan Lucas Vanclooster want die was de chauffeur van Mortier en die heeft die hele hofhouding uitgebreid kunnen bestuderen.

Mortier hield er met de pers een heel ingewikkelde verhouding op na. Niet toevallig lag ik in de bovenste schuif. Toen hij Bejart de wacht aan zegde en de grootste vergissing van zijn carrière maakte, door Mark Morris en zijn gezelschap naar de Munt te halen, kreeg ik bericht om een aantal data vrij te houden. Dat lag een beetje moeilijk want ik vergezelde een gezelschap architecten naar Barcelona. Mortier gaf geen sjoege. Ik werd door zijn chauffeur opgehaald en we zetten koers naar de luchthaven om naar New York te vliegen voor een interview met Morris en van daaruit zou ik mijn pappenheimers in Barcelona vervoegen. Toen de taxi ter hoogte van de Welriekende dreef niet links maar rechts afsloeg kreeg ik het bericht dat we in Charles Degaulle aan boord zouden stappen van de concorde. Ik weet nog wat ik toen zei:” Ik ga dit niet gaan uitleggen bij het Rekenhof“. Wat niet wegneemt dat we een paar uur later in New York landden en onze intrek namen in een enorme suite in de Pierre. Later op de avond ontmoette ik Morris die in het salon van de suite ongeveer de hele biervoorraad van het hotel soldaat maakte. Toen ik een dag later mijn vlucht naar Barcelona nam had ik een exclusief gesprek en een ticket first class op zak. Ik kan u alleen maar vertellen dat het de zaligste vlucht is die ik in mijn leven gemaakt heb. Tien duizend meter hoog met een naadloos gebakken kanjer van een rosbief op een karretje. De concordevlucht met de champagne en de borrelhapjes verzonk daarbij vergeleken in het niets: een supersonische sigarenhuls.

New York werd in de jaren tachtig mijn favoriete bestemming. Ik ontmoette daar levenslange vrienden en beleefde er een voorbijgaande amourette. Ik heb er vervoerende gesprekken en avonden beleefd met Herman Portocarrero, Toots Thielemans, Anne Teresa Dekeersmaeker,  en David Byrne  En New York was de voorbode van mijn Italiaanse tijd. Alan Friedman was redacteur bij de Financial Times.We hadden mekaar tussen Rome en Detroit op een vliegtuig gesproken en na Detroit zaten we -zonder enige planning, op de zelfde vlucht van people express tussen Detroit en New York om twee dagen later naar weer eens de zelfde bestemming te vliegen, Milaan. Drie op een rij. Friedman was hoofd van het FT-bureau in Milaan had een Lamborghini, een luxueuze duplex in de Via del Orso, een buitenhuis in Toscane en een groep internationale vrienden die een ware hofhouding uitmaakten. I joined them en drie jaar later wees Friedman tijdens een bruiloftsfeest naar mij. Ik zag hem niet en evenmin het meisje in wiens oor hij iets fluisterde. Dat meisje begroette mij  maanden later in een kunstgalerij in Milaan: zo joviaal dat ik haar nooit meer los zou laten. Ik was nog vaag gehuwd maar een jaar later werd er een buitenechtelijke dochter geboren en anderhalf jaar daarna een zoon. En dat eigenlijk allemaal omdat Verleyen op een septemberdag in 1988 dacht dat mijn hyperventilatie een besmettelijke ziekte was, ik kreeg een reis voor een presentatie van GM en Pinanfarina in Detroit. Niet eens autojournalist maar zo ging dat in die dagen. Uitnodigingen voor snoepreizen werden à la tête du client uitgedeeld.

het vervolg:  (8) Harry & Melina

Advertenties