Tags

, , , ,


Ik ben nergens lid van, hoor bij geen enkele partij maar ik kan niet ontkennen dat ik al bijna drie decennia onvoorwaardelijk tot de Anthierensclan behoor. La tu touche pas a mon pote. Alles wat ik geweest en nog ben in de journalistiek en de schrijverij dank ik aan de Anthierensen en in het bijzonder aan Karel.
Karel was mijn redactiechef, mijn mentor en mijn rechtstreekse chef bij Knack Special Productions en Promotions. Ik vertelde u dat Karel na een dispuut met Verleyen weggepromoveerd werd naar deze Sondereinheit. Wij betrokken een kantoortje van 16 vierkante meter aan het einde van een lange gang en ontvingen daar de fine fleur van de journalistiek, uitgevers, sponsors, cartoontekenaars en een enkele keer ook Guido Lauwaert of een andere verdwaalde reiziger in de wereld van de poëzie, literatuur en de Ars Minor.

Ik was zijn assistent-manager, zijn secretaresse boodschappenjongen en spion op de redactie. Karel had mij als professioneel journalist laten registreren en verlonen voor we onze professionele oversteek begonnen en de rubriek Feiten en Mensen begon een nieuw leven toen broer Johan de redactie verliet en ik de eerstaanwezend columnist werd, par la force des choses.

Ik had zoveel petten op, zonder evenwel de hoge en liet mij die gespleten pers-persoonlijkheid welgevallen. Karel was een rots in de branding en ik was de behendigste drenkeling van het journalistieke halfrond. Ik kreeg mijn teksten van Karel terug met de vermelding, ‘ Gerrit, dit is geen Nederlands’ en menig keer hoorde daar ook nog een bundel door mij geadresseerde enveloppes bij voor uitnodigingen die ik overnieuw mocht schrijven.

Ik heb gesnotterd als een echte secretaresse, aan opstappen gedacht maar goed beseft dat ik alles te leren had van dit pietje precies, taalpurist en organisator. Niemand voor en mij had recht op een dergelijke one-on-one. En al snel waren wij een band of brothers, de easy company die tekenaars als Jan en Zak, Meynen en andere in een baan om de media lanceerden, boeken en specials uitgaven, de weg voorbereiden voor het eerste echte magazine en niet weinig trots de eerste kleurenreportages in het magazine verzorgend ( de restauratie van de Oriënt Express in de Oostende ateliers van Wagon Lits().

Bovenop kwamen concerten en wandelingen met de lezers en andere promo-acties lang voor de kranten er ook maar aan dachten om hun lezers te fêteren. Het spreekt vanzelf dat wij dat alles deden in nauw overleg met het moederhuis in Roeselare maar dan wel gedekt door een aparte boekhouding van verzendingsformulieren in drievoud. een kwestie van vertrouwen dus.

Tussendoor vertaalden we strips al dan niet voor het magazine. Karel was als het mij goed voorkomt de beëdigd vertaler van Lucky Luke en Asterix en schoof mij tussendoor de strip van Bristow door. Die betrof een klerk op het kantoor van de Chester Perry company die op zijn luie krent zat te moonlighten. Die strip was de gedroomde kans om af en toe eens een allusie op het moederbedrijf te maken. Catch phrases ter redactie als ‘clean desk’ en ‘ nuttige werkuren’ werden in de vertaling gesluist. Chester Perry en Roularta één front.

Aan alles komt een eind en dat eind heette De Zwijger, de halve redactie zat daar in de Willem de Zwijgerstraat al te moonlighten en Karel was de enige die formeel en fulltime de overstap maakte om daar een beetje orde op zaken te stellen. De Zwijger, God hebbe zijn ziel, zou bressen slaan in de redactie. En het einde inluiden van de wonderjaren. Karel verdween en ik werd opgenomen in het vaste redactieteam, kind onder kannibalen. Het begin van mijn openbaar leven, zeg maar…

Advertenties