Tags

, , ,


“Ik weet hoe je bij ons bent binnengeraakt. Ik vind het prachtig maar het zal nooit meer gebeuren”
. Sus Verleyen, schurkte zijn servet, monsterde zijn bord en zette zijn tanden in iets joegoslavisch. Hij waarschuwde mij vervolgens voor mijn galoperende sterrenstatus bij het blad, een straatje zonder einde volgens hem en hij schrok zich verder vol. We waren toen al midden de doelloze jaren tachtig. Ik had hem voor het eten uitgenodigd en Sus zat te wachten tot ik ‘mijn briquetten loste’. Ik had niets in de zin, ik weet zelfs niet meer waarom ik hem uitgenodigd had. Ik zat mid-career bij het magazine, ik had een eigen kroniek waarin ik na het vertrek van Johan Anthierens, d’office de leukste in huis was, televisie-optredens, reisgidsen en een spaaklopend huwelijk. Net genoeg voor een b-film. Knack was mijn beschermde werkplaats. How the hell did I get there? Nog een slivovitsch Sus?

Ik publiceerde begin de jaren zeventig een gestencild magazine dat veel weg had van illegale publicatie tijdens de oorlog. Toch te zien aan het knip en plakwerk en de schimmige manier waarop ik maandelijks ‘Onderanderen’ in het sorteercentrum Brussel X dropte. Ik denk dat de abonnees iedere maand door de postbode gesommeerd werden om extra-port te betalen. Wou ik journalist worden? Desnoods wel maar ik wou gewoon gelezen worden. Ik studeerde af als regent NED vond geen werk en week uit naar een studentenhuis in Leuven. Ik volgde de avondcursus journalistiek in het IPC en vooral de optie persbar-spotten. Journalisten waren toen nog drankorgels die des avonds in de IPC-bar zitting hielden omringd door schone vrouwen, studenten en politici in spé. Er waren geen gsm’s, de bieper was het exclusief van Frank De Moor en het telefoonnummer van de IPC-bar stond in elke redactie-agenda met een stip genoteerd. Die bar was het epicentrum van de Belgische journalistiek: sloten whisky, netwerking avant la lettre,primeurs en vooral roddel. Zonder de bar van het IPC zou Guy Verhofstadt hoogstens onder-voorzitter geworden zijn van de PVV en Patrik Dewael een begaafd strafpleiter aan de balie in Tongeren. Wij stonden daar als wannebe’s te watertanden met carrièrevraag in de ogen. Meisjesstudenten hadden nog voor de uitvinding van de Brazilian Wax een streepje voor. Over hoe je een redactie binnen raakte deden de wildste verhalen de ronde.
Zoals altijd zou ik het op mijn hoogst eigen manier doen. Een tante van mij wist dat er op de redactie van De Nieuwe Gazet een soirist gezocht werd. Soiristen vullen de gaten in de krant als de gevestigde redacteurs zo ongeveer hun epistels afgerond hebben. Ik werd door Frans Grootjans hemzelf en zonder een piston op de avondredactie gedropt en dat ondanks een grove dt-fout in mijn sollicitatiebrief. Ik heb van die dt-fout mijn handelsmerk gemaakt. Ik ben er niet lang gebleven omdat er op de redactie weinig of niet niet gerookt en gedronken werd. Die Antwerpse pennenlikkers lieten de krant na halfelf onder mijn hoede. Ze trokken naar huis om hun sloffen aan te schieten en moeder de vrouw een pandoering te geven op de keukentafel. Het Vlaams Blok bestond nog niet en dus mocht dat nog. Of ze gingen de wereld te verbeteren in de kroegen en ik vulde de gaten in de kranten met stukjes uit oude edities van de Winkler Prins.

Het werd al snel duidelijk dat mijn vrienden in de IPC-bar de verkeerde vraag gesteld hadden: niet hoe je een redactie binnenraakt maar wel hoe er te blijven was the question. In dat Antwerperse nest was ik een total stranger. Voor je het weet wordt je uitgezweet. Uitzweten is jezelf op de schopstoel hijsen bij gebrek aan collegialiteit. Je moest eind de jaren zeventig, gesteld dat je journalist wou worden over een aantal vaardigheden beschikken: schrijven jawel maar ook koffie en sterke drank nuttigen, roken en achter het andere geslacht aanzitten. Dat zeg ik nu schertsend maar het was ook zo.

Toen ik op de Knackredactie geëngageerd werd als documentalist kon ik al behoorlijk koffiedrinken en begon ik eerder schuchter dan wel schutterig achter de meiden aan te zitten. Dus bleef er de drank. Ik werd op de redactie waar ik onderhand archieffiches aanmaakte het aanspreekpunt voor sigaretten en alcohol. Het leek wel de grote drooglegging. Als dat archief niet opschoot dan was dat niet zo erg, want als loopjongen was ik priceless. Ik werd het eerste jaar uit de postzegelkas betaald maar al vlug werd voor mij een contract versierd als redactiebediende. Een jaar later erfde ik van Lode Willems de rubriek der gebroken benen. “Feiten en Mensen” liep vierkolomns want het was de plaats waar kwartpagina’s reclame en ‘berichten uit de bedrijven’ geposteerd werd. Dat je in de journalistiek op de ommekant van de reclame schreef was een understatement. Als Philip Morris er zin in had dan zag mijn rubriek er als een publicitair slagveld uit. Je hebt dat wel eens meer dat er in reclames dummytekst gebruikt wordt om een soort editorial-effect te krijgen. Wel die techniek is in Knack uitgevonden.

aflevering 2

(foto: Herman Selleslags, 1977 Istambul)

Advertenties