“Wie steelt moet zijn buit uitbuiten en op zijn minst van elke oui een non maken en de tekst als een ouwe trui afspinnen om met dat garen een nieuwe jumper te breien. Het resultaat ging drie weken later flink uitvergroot in de foyer van deSingel en maar goed ook want anders had ik het kunnen schudden bij de FET. En ik geloof nog altijd dat de toenmalige redactie die uitredend was mij een pad in de Piccolikorf heeft gezet.

Het interview is zonder meer het meest over- en onderschate format in de journalistiek. Overschat omdat in de meeste gevallen de antwoorden zo te raden zijn en de interviewee voor de zoveelste keer de zelfde vragenprak te nuttigen krijgt. Interviews legitimeren zich nog al makkelijk door exclusief te zijn of een vermaard personage op te voeren aan wiens woorden wij ons dienen te laven. Zeldzaam is de interviewee die behalve iets te zeggen ook een originele zin laat staan paragraaf weet te sprokkelen ( gesteld nog dat die enigszins de eindredactie overleeft). Laat ons wel wezen de rol van de vragen- samensteller is kapitaal, kan hij van de per definitie structuurarme spreektaal,  vloeiende en gestileerde schrijftaal maken en vooral weet hij wat weg te laten en het ongezegde tussen de regels te sluizen.

Moet de tekst op band opgenomen worden? Ja en voor een goeie reden: om eventuele betwiste uitspraken te verifiëren maar niet om het bandje uit te tikken. Een interviewer hoort notities te maken en deze te structureren onder het luisteren en kijken door. Met dat kladje kan hij de hele tekst weer oproepen en de zinnen zo uit het hoofd neerpennen gesteld dat hij de redactie binnen zijn korte termijngeheugen redigeert. Structuur dus, bovenop stijl. Tussenwerpsels ( hij lacht, kijkt verbaasd) zijn aanstellerig want emotie hoort uit de tekst te borrelen. Sfeerschepping mag wel in doorlopende zinnen, alsook resumerende parafrasering.

Advertenties