Verzameld Werk: het beste uit Gerrit Six I.


Struinend door het geheugen en grasduinend in boeken – op zoek naar zinnen die de zinnen strelen, of juist onderhuids liefdesleed bekennen, kwam ik terug van een radeloze tocht. Of om het met Love Story te zeggen: where do I begin.

De dichter Isle d’Adam bevindt zich op een zomeravond in zijn hotelkamer in Cabourg. Het raam opent wijd op de promenade en hij kijkt naar de passanten. Heel even heeft hij oogcontact met een vrouw die onder een parasol voorbijwandelt. Hij zal haar nooit ontmoeten, maar schrijft in zijn dagboek ‘Comme vous me faisiez l’honneur à l’infinie, madame, d’y songer vaguement’, ‘Omdat u mij de oneindige eer betoonde er ook maar even vagelijk aan te denken’. De zin achtervolgt me al jaren. In de Nederlandse literatuur moet je terug naar Piet Paaltjes om een dergelijk fait divers opgedisseld te krijgen maar dan veel smartelijker. Als de dichter Alfred de Musset schrijft hoe de wereld er zonder dat ene beminnelijke wezen kaal en leeg uitziet, zet hij nog altijd een prachtige zin neer: ‘Un seul être vous manque et tout est dépeuplé’. In de literatuur is liefde nooit zo intens als wanneer het object waarop ze gericht is afwezig blijkt.

Twintig jaar geleden schreef de Franse semioloog Roland Barthes, veel geciteerd en weinig gelezen, zijn ‘Fragments d’un discours amoureux’, een inwendige monoloog, een lange introspectie over het wezen der liefde. De eigen fragmenten en de citaten lopen via een rode draad van steekwoorden van de angst, over het gemis, het ondraagbare tot het zeer dat de toestand der liefde met zich brengt. ‘Fragments’ is liefde onder het scalpel, zoals men er slechts aan denkt en over spreekt als ze onbereikbaar, onzegbaar of verteerd is. Extatische beschrijvingen van de liefde neigen naar meligheid omdat de zinnen verbijsterd zijn, het subject zich buiten elke werkelijkheid bevindt.

In Exiles van James Royce zegt Richard aan Berta na al die bewogen passie: ‘mijn ziel is door jou verwond. Het is een wonde van twijfel en ze is niet te helen. Weten doe ik niet meer en wil ik niet meer. Het is niet in de blindheid van het geloof dat ik naar je verlang maar in de rusteloosheid van de twijfel. ‘To hold you by no bonds, even of love, to be united with you in body and soul, in utter nakedness for this I longed.’

Het laatste woord is aan Michel de Montaigne, in zijn Essays, al heeft hij het dan in deze passus over vriendschap, maar het verschil is nauwelijk te merken. ‘Er is een, ik weet het niet welke onverklaarbare en noodlottige kracht die deze band tot stand brengt en die mijn verstand te boven gaat. We zochten elkaar voor wij elkaar hadden gezien… Ik geloof dat dit door een hemelse beschikking gebeurde. Wij omhelsden elkaar toen we onze namen hoorden. En bij onze eerste ontmoeting kwamen wij elkaar zo bekend voor en voelden wij ons zodanig aan elkaar verplicht dat vanaf dat ogenblik niemand evenzeer als wij met elkaar verbonden waren.’

Advertenties